Het gaat landelijk niet goed met de wilde bij. Van de circa 360 soorten in Nederland staan 181 soorten op de Rode Lijst en zijn er 40 verdwenen.
Ook in de provincie Brabant is de situatie zorgelijk. Door intensief grondgebruik, monocultuur, bestrijdingsmiddelen, verstedelijking, te strakke overgangen tussen landschapssoorten, verdroging, te weinig voedselaanbod tijdens de hele vliegperiode, toenemende populariteit van de honingbij en klimaatverandering gaat de stand van de wilde bijen hard achteruit. Ook de afname van kleine landschapselementen wordt genoemd als oorzaak, en juist hier kunnen wij wat aan doen. Het hedendaagse landschap is uniformer en strakker ingericht waardoor de variatie ontbreekt, terwijl wilde bijen juist reliëf, (zand)wandjes, dode houtresten, houtwallen, etc. nodig hebben.
De achteruitgang van de wilde bij betekent bovendien ook een achteruitgang van diverse soorten planten. Sommige bijen zijn zelfs essentieel voor bepaalde plantensoorten: de planten zijn afhankelijk van bestuiving door bijen.
Dit heet in de biologie symbiose: twee of meerdere organismen zijn afhankelijk van elkaar om te kunnen leven. De knautiabij is daarvan een voorbeeld: deze bij heeft het moeilijk en is afhankelijk van het stuifmeel van beemdkroon. De populatie van de knautiabij is tegelijk met het verdwijnen van de plant afgenomen.Er is niet één aanpak om alle bijen in één keer te helpen: elke bijensoort heeft zijn eigen specifieke behoeften. Nestgedrag, wanneer ze vliegen, hoe ze stuifmeel transporteren, welke bloemen ze nodig hebben en wanneer: het verschilt onderling allemaal. Bijen met specifieke behoeftes hebben het op het moment extra moeilijk: het landschap geeft hen niet de variatie die zij nodig hebben. Het is daarom belangrijk dat initiatieven om de wilde bijen te helpen, aansluiten bij de wensen van soorten die ter plaatse (kunnen) voorkomen.





