Ik zit in een tuin en overal om me heen zindert het van leven. Een choreografie van bijen tussen paarse en gele bloemen, hun lijfjes zwaar van stuifmeel. Het lijkt een betoverd schilderij, een onvolmaakt volmaakte compositie. Alsof ze met onzichtbare kwasten het ene veld kleur geven, het andere geur. Paars en geel – kleuren die elkaar versterken, zoals Vincent van Gogh ze schilderde in zijn tuinen vol zon en stilte die toch gonzen van beweging.
Het gezoem hangt als een sluier in de lucht, onzichtbaar en toch dichtbij. Ik voel het in iedere ademteug, alsof het mijn eigen hartslag ritme geeft. Elke bloem die onder de zon openklapt is een geheim dat de bijen fluisterend doorgeven. Zonder hen zou de tuin verstommen, bomen kaal blijven, de lucht grauw en grijs zijn.
Ik volg de vlucht van één bij, haar kristallen vleugels haast onzichtbaar. Ze landt, drinkt, deelt – een voortdurende dans, ouder dan wij allen tezamen. Hoe wonderlijk dat iets zo klein een wereld in bloei zet.
Wanneer ik honing proef, bedenk ik: dit is samengebalde zomer, vloeibaar licht. Een smaak van aarde, van bloemen, van eeuwigheid. Puur – met als enige toevoeging de toewijding en passie van de imker of tuinier die haar beschermt en bewaart.
Ik glimlach, want in elke kast klinkt het refrein van het leven zelf. En soms mag ik, stil en verwonderd, getuige zijn.





